Thursday, August 18, 2005

 


GESCHIEDENIS VAN HET ZENUWSTELSEL

DE HERSENEN (GESCHIEDENIS)


De wetenschap dat psychische afwijkingen iets met de hersens te maken hebben is al zeer oud. Al in het vroege steentijdperk werden bij bepaalde mensen gaatjes in de schedel gemaakt (trepanaties ). Opgravingen van 7000 jaren oude schedels in verschillende culturen laten dit zien. Vaak kan men zien dat deze mensen na deze ingreep bleven leven, omdat littekenweefsel, dat na de ingreep gevormd werd, dit aantoont. Men zal waarschijnlijk gedacht hebben dat kwalijke geesten op deze wijze konden ontsnappen. Na de steentijd, toen metalen voorwerpen werden gebruikt, stierven meer mensen door trepanaties dan daarvoor. Waarschijnlijk moesten in het stenentijdperk telkens nieuwe "instrumenten"worden gemaakt, terwijl later metalenvoorwerpen werden hergebruikt en daardoor meer kans op infecties veroorzaakten.

Ook de Grieken en Romeinen veronderstelden dat de hersenen de edelste delen van het lichaam waren. ( Hippocrates 460-370 BC ). Hij schreef : Men dient te weten dat zowel plezier, vreugde, lach en prettig gevoel, als spijt, pijn, rouw en tranen hun zetel hebben in de hersenen.

De Grieks-Romeinse en Arabische opvattingen waren materialistisch van aard, Men kende wel enkele psychiatrische afwijkingen zoals delirium, manie, melancholie en frenitis ( een ontsteking van de hersenen meestal door een virus veroorzaakt ) en men dacht dat ze door het hersenvocht ( spiritus animalis ) werden veroorzaakt.

Galenus ( 130-200 AD ), een Grieks anatoom uit Alexandrië, die later in Rome woonde, was de eerste die onderzoek verrichtte. Hij zag dat mensen die aan herseninfarcten leden soms gevoel verloren, terwijl er aan de betreffende lichaamsdelen niets te bespeuren was. Ook maakte hij sneden in de hersenen van proefdieren en zag dat ze verstijfden. Als hij de sneden wat dieper in de hersenholtes maakte stierven de dieren.

In de Middeleeuwen dacht men onder invloed van het Christendom dat psychische afwijkingen door de duivel werd veroorzaakt. De duivel nam bezit van bepaalde personen en deze personen, die vaak als heksen werden beschouwd konden veel schade in hun omgeving aanbrengen. Bepaalde priesters die daarvoor waren opgeleid gingen de duivel met wijwater en Latijnse spreuken tegemoet (exorcisten ) en trachten de duivel op deze wijze uit te drijven.

Vaak lukte dat niet en om twijfel uit te sluiten dat deze patiënten van de duivel bezeten waren, werden enkele proeven gedaan . Men wierp ze soms in het water en als ze bleven drijven waren ze van de duivel bezeten en werden ze verbrand. Als ze verdronken waren ze wellicht niet van de duivel bezeten maar het gevolg was hetzelfde.

Iets meer voorspelbaar was de proef, waarbij de benen van de patiënt in kokende olie werden gestoken. Verbranden de benen dan waren ze van de duivel bezeten . Als ze van de duivel bezeten waren belandden ze meestal op de brandstapel en ook hier waren bepaalde ordesgeestelijke speciaal bedreven in.

Paus Gregorius IX benoemde in 1233 de Dominicanen als uitvoerders van de Inquisitie, alhoewel de inquisitie op de eerste plaats voor de ketters bedoeld was. De bijnaam Domini canes ( honden van God ) hebben deze paters dan ook lang moeten dragen. Op het einde van de zeventiende eeuw werden de laatste mensen veroordeeld tot de brandstapel.

In 1484 gaf paus Innocentius VIII het sein tot een grootscheepse heksen vervolging, die meer dan twee eeuwen zou duren. Soms werden per dag meer dan 100 vrouwen verbrand.

Ook heden wordt exorsisme nog wel eens door de katholieke kerk toegepast, hoewel gelukkig alleen met wijwater en niet met de brandstapel.

Het was de Graafse arts Johannes Wier (1515-1588 ) die in zijn boek “de praestigiis daemonum “ ( De bezetenheid des duivels), een andere theorie verkondigde.

Hij was de zoon van een welgestelde hop handelaar uit Grave, die in Parijs zijn opleiding had gehad en die in Orleans tot doctor medicinae zou gepromoveerd zijn. Hij twijfelde er niet aan dat psychiatrische patiënten door de duivel bezeten waren, maar het straffen van deze patiënten vond hij onjuist. Immers niet de duivel werd zo getroffen, maar de onschuldige personen waarvan de duivel bezit had genomen. Een felle strijd ontstond tussen aanhangers van zijn theorie , vaak antiklerikale geleerden en de heersende opvatting, vooral beïnvloedt door de clerus van die tijd. Johannes Wier bestreed de opvatting van twee Dominicanen, die beschreven hoe heksen moesten vervolgd worden en de duivel moest uitgedreven worden. Heksen konden volgens Wier geen kwaad doen, maar hij was wel ook de mening toegedaan dat zij van de duivel bezeten waren en dat zij ziek waren. Er moest echter een bewijs van schuld geleverd worden volgens hem.



Comments: Post a Comment

<< Home

This page is powered by Blogger. Isn't yours?